Torenvalk – kast / halve open vogel nestkast
Cederhout 15mm
50cm x 35cm x 45cm
– Type:halfopen
– Bodem voorzien van een laag van 5 cm dik bestaande uit zaagsel, turf, aardkluitjes, takjes, kort stro of een oud duivennest.
– Plaatsing best zo hoog mogelijk op een paal (met een min van 4 m), in een boom, tegen een muur van een afgelegen gebouw of aan de rustige zijde van een gebouw.
– Opening niet op de zonzijde (zuiden), wel op het noordoosten
– In veel gebieden arm aan hoge bomen of struiken is dit de enige nestmogelijkheid. – Aantal: 2 nestkasten per 100 ha, 1.000 m van elkaar.
– Afstand: nestkast tot 200 m afstand van gebouwen plaatsen.
Plaats:
* Bij voorkeur waar problemen worden verwacht van woelmuizen
– ratten, langs grachtkanten, taluds, langs permanente weiden of hoogstam percelen.
* Liever meer zitstangen plaatsen op de gevoelige plaatsen, dan verspreid over het perceel. Afstand max. 100 tot 200 m van elkaar.
* Dwarshout dwars op de hoofd windrichting (Z-W). – Bouw:
* Zitstang moet minstens paar meter boven de bomen uitsteken (4-5 m hoog).
* Dwarshout : T of enkele of dubbele driehoek, 30 tot 50 cm lang en een doorsnede van 3 cm. – Aantal:
* 1 tot 5 per ha i.f.v. woelmuizen en ratten.
Torenvalk – Falco tinnunculus Belang:
Is één van de meest voorkomende roofvogels in België. Ongeveer 85% van zijn voedsel bestaat uit (woel) muizen en ratten, heeft een stabiliserend tot voorkomend effect op deze plagen.
Basiskenmerken
Lengte: 21-39 cm
Vleugelspanwijdte: 65-82 cm
Dagactief Prooivogel
Geluid: ‘kiekiekie’, op de broedplaats ‘srie-srie’
Standvast tot gedeeltelijk trekvogel
Vlucht: biddende vlucht (zie foto) Rug is roodbruin met donkerbruine vlekken, staart met zwarte eindband (foto vilda). Mannetje heeft grijze kop, staart en stuit.
Territoriumgrootte: 0,05 – 1,5 koppels/km² (afhankelijk van het voedselaanbod) Biddende vlucht
Leefgebied
De torenvalk past zich zeer goed aan in alle leefgebieden, en komt bijgevolg voor in uitgestrekte akkerbouwgebieden tot in de steden.
Jachtwijze
Vanop een gekozen zitplaats (zitstang in boomgaard, straatverlichting, telefoonpalen, boom- en weidepalen) speuren ze naar een prooi. Ze vliegen ter plaatse, biddend (=klapwiekend).
Voedsel
Ze kunnen tot 1500 prooien per jaar verorberen. Per dag kunnen dit bijvoorbeeld 4 woelmuizen zijn in de winterperiode, tot 8 woelmuizen in de zomerperiode. Ongeveer 85 % van hun prooien zijn kleine knaagdieren; veld- en woelmuizen, maar ook spitsmuizen en mollen. Wanneer het aanbod knaagdieren beperkt is, worden er ook kleine vogels, grotere insecten, slakken en regenwormen gevangen.
Voortplanting
De torenvalk maakt zelf geen nest, maar gebruikt oude ekster-, kraaien- en duivennesten. Ook zoeken ze de nissen op in gebouwen, rotsen, torens of elektriciteitspalen. Open nestkasten opgehangen op 4 tot 6 m hoogte zijn ook zeer geschikt. Ze leggen één keer per jaar 4 tot 6 roodbruin gevlekte eieren met een witte grondkleur in de periode begin april tot eind juli. Het vrouwtje broedt 27 tot 32 dagen op het nest. De jongen blijven daarna nog 30 dagen in het nest en nadien worden ze nog gedurende 4 weken door de ouders gevoed. Meestal overleven 3 à 4 jongen, afhankelijk van het voedselaanbod en het weer. Bij weinig voedsel kan de eileg uitgesteld worden. Gedurende jaren blijven ze trouw aan hun nest en partner.
(PC Fruit)
€ 52,00
De opgegeven prijzen zijn nettoprijzen.
Bevestig de wachttijd voordat u bestelt. Sommige producten hebben langere levertijden.
